Stijl en Grammatica

Op de middelbare school vindt bijna niemand het leuk, maar als je wat ouder wordt, is de techniek van stijl en grammatica toch veel interessanter en leuker dan je ooit voor mogelijk had gehouden. 

Stijl en Grammatica

Trainers:

  • Geerke van der Bruggen
  • Dolf Weverink

Op de middelbare school vindt bijna niemand het leuk, maar als je wat ouder wordt, is de techniek van stijl en grammatica toch veel interessanter en leuker dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Bijvoorbeeld omdat je nu met je kinderen en neefjes en nichtjes over hun huiswerk kunt praten. Ze misschien zelfs kunt helpen. Of omdat je nu aan je collega’s kunt uitleggen wat er gebeurt in een lijdende zin – dat het onderwerp in de coulissen verdwijnt en je dus niet meer weet wie wat doet in de zin. En dat daarom de lijdende vorm vermeden dient te worden… (dat was een grapje).

We gaan aan de slag met de belangrijksten technieken die je helpen om betere teksten te schrijven. Want daar gaat het allemaal om, natuurlijk. Dus is het handig als je vooraf je eigen teksten instuurt. Die vormen geweldig materiaal om mee aan de slag te gaan. Om alvast in de stemming te komen: alvast een paar onderdelen uit de training.

Wie? Het onderwerp 

En wat doet het onderwerp? De persoonsvorm

Sonja koopt een stoel.

In deze zin is Sonja het subject, het onderwerp. Zij is de handelende persoon. ‘Koopt’ is het gezegde dat in dit geval uit één werkwoord bestaat. Dat werkwoord reageert op het onderwerp. Sonja is één persoon, enkelvoud dus. Dat gedeelte van het gezegde dat zich aanpast aan het onderwerp, is de persoonsvorm. 

Wat? Het lijdend voorwerp

Als je de vraag stelt wat + persoonsvorm, dan vind je het lijdend voorwerp. Wat koopt Sonja? Een stoel. Het lijdend voorwerp heet ook wel ‘direct object’. Dat direct object ondergaat de handeling.

 

Wat? Het naamwoordelijk (deel van het) gezegde

Als je vraagt wat + persoonsvorm + onderwerp vind je soms iets anders. Een voorbeeld.

Sonja is boos.

Wat is Sonja? Ze is boos. Is boos dan lijdende voorwerp? Nee, boos is naamwoordelijk deel van het gezegde. Dat klinkt ingewikkeld, maar het valt reuze mee. Vergelijk ‘stoel’ van hierboven eens met ‘boos’. Beide zijn antwoord op de vraag ‘wat?’ maar je voelt wel dat de relatie van Sonja met ‘stoel’ heel anders is dan haar relatie met ‘boos’. Dat komt door het werkwoord ‘zijn’. In de zin ‘Sonja is boos’ staat een koppelwerkwoord: ‘zijn’. Het werkwoord ‘zijn’ luistert naar het onderwerp (Sonja) en wordt dus ‘is’. En ‘is’ koppelt Sonja aan boos. Er zijn nog twee koppelwerkwoorden: ‘worden’ en ‘blijven’. 

Sonja is boos. Sonja wordt boos. Sonja blijft boos.

De koppelwerkwoorden

Op school heb je een langere lijst geleerd van koppelwerkwoorden. Het is waarschijnlijk deze: zijn worden blijven lijken schijnen heten dunken en voorkomen. Je mag ze gerust alle acht koppelwerkwoorden noemen, maar de eerste drie zijn de echte, want achter zinnen met de overige vijf kun je ‘te zijn’ denken of zetten. Ze hebben een steuntje in de rug nodig en zijn eigenlijk hulpwerkwoorden.

Sonja is boos

Sonja wordt boos

Sonja blijft boos

Sonja schijnt boos (te zijn)

Sonja lijkt boos (te zijn)

Sonja blijkt boos (te zijn)

Beschikbaar live of  online

Stijl en Grammatica voor Grote mensen – voor iedereen die meer wil weten van taaltechniek en betere teksten wil leren schrijven. 

    Stijl en Grammatica online
    Twee online sessies van 3 uur
    Prijs: €480,-

    Stijl en Grammatica live
    Eén hele dag
    Prijs: €525,-